Plastic bloemen
Hij geeft extra gas, deze stoep is een lastige. Als het karretje de hobbel neemt, zakt zijn pet een beetje scheef. Hij bijt hard op zijn lip. De bekende ijzersmaak. Dan snel naar boven kijken, de lucht, best blauw. Bijna. Het valt allemaal best mee.
Een auto passeert hem met een vaart. Een plas, spettert, water, zijn kruis.
De goede moed.
Voorop zijn karretje prijken plastic bloemen. Rood, geel, blauw, paars. Hij glimlacht.
De buren hadden gekeken. Hoe hij het plastic met zorg rangschikte, met zijn handen grauw van ouderdom. Hij voelde hoe het puntje van zijn tong naar buiten stak.
Laat ze maar lachen.
Een meisje had ze op haar fiets. Ook zo voorop. Hij was haar achterna gereden, zo hard als zijn karretje kon. Zag haar het park in rijden. De gouden haren lagen op haar smalle rug, ze droeg een rode jurk. Het was of ze was omringd door de bloemen en het had hem doen denken aan iets van vroeger.
Als een poëzieplaatje.
